Aan: de minister van Buitenlandse Zaken en de leden van de Tweede Kamer
Betreft: reactie van Femmes for Freedom op de Kamerbrief van 19 augustus 2026 over huwelijkse gevangenschap
Excellentie,
Geachte leden van de Tweede Kamer,
Deze open brief is primair gericht aan minister Berendsen, naar aanleiding van zijn Kamerbrief van 19 augustus 2026. Tegelijkertijd richt Femmes for Freedom (FFF) zich tot de Tweede Kamer, en in het bijzonder tot mevrouw Dobbe, omdat het uiteindelijk aan de Kamer is om te beoordelen of aan haar verzoek daadwerkelijk uitvoering is gegeven.
Op 2 december 2025 heeft de Tweede Kamer de motie-Dobbe over een plan tegen huwelijkse gevangenschap aangenomen. In de motie wordt geconstateerd dat aan eerdere moties, verzoeken van de Kamer en toezeggingen van de regering over huwelijkse gevangenschap en achterlating nauwelijks opvolging is gegeven. Daarbij wordt onder meer gewezen op de dochterregeling en op het opnemen van huwelijkse gevangenschap in het mensenrechtenbeleid. De regering wordt verzocht vóór de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken een plan tegen huwelijkse gevangenschap aan de Kamer te sturen, waarin de uitwerking van de eerder aangenomen moties herkenbaar is opgenomen.
Een deel van de eerdere moties en verzoeken waarop de motie-Dobbe voortbouwt, heeft betrekking op achterlating en aanverwante problematiek, waaronder huwelijksdwang. Het is daarom terecht dat de regering ook op die onderwerpen ingaat. Dat mag er echter niet toe leiden dat huwelijkse gevangenschap opnieuw nauwelijks als zelfstandig probleem wordt behandeld. Evenmin mogen eerdere moties over huwelijksdwang en achterlating, zoals de motie over de dochterregeling, buiten beeld blijven.
Op 19 augustus 2026 heeft de minister van Buitenlandse Zaken met de Kamerbrief Plan tegen huwelijkse gevangenschap van Nederlanders in het buitenland op de motie gereageerd. Tot haar grote spijt constateert FFF dat deze reactie nauwelijks beantwoordt aan wat de Tweede Kamer heeft gevraagd. De Kamer vroeg om een plan waarin eerdere moties herkenbaar worden uitgewerkt; zij ontving hoofdzakelijk een overzicht van bestaande activiteiten en enkele algemene voornemens.
Dat is geen semantische discussie. Huwelijkse gevangenschap, huwelijksdwang en gedwongen achterlating zijn vormen van gendergerelateerd geweld en schadelijke praktijken. De documentaire Gedwongen Geloften laat indringend zien hoe gruwelijk de werkelijkheid achter deze beleidstermen is: vrouwen en meisjes worden opgesloten, bedreigd en blootgesteld aan seksueel geweld. Huwelijksdwang heeft vaak ook een seksuele dimensie. Een gedwongen huwelijk kan nooit worden beschouwd als instemming met seksuele handelingen; gedwongen seks binnen een huwelijk is seksueel geweld en kan verkrachting zijn. Ook bij huwelijkse gevangenschap kan daarvan sprake zijn, wanneer een vrouw tegen haar wil in een huwelijk wordt vastgehouden en onder dwang seksuele handelingen moet ondergaan. Deze geweldsvormen kunnen deel uitmaken van een escalerend patroon van dwang, controle, partnergeweld en eergerelateerd geweld, dat uiteindelijk kan uitmonden in femicide: de meest extreme manifestatie van geweld tegen vrouwen. Wanneer de overheid deze geweldsvormen niet juist onderscheidt, registreert en effectief bestrijdt, staan de vrijheid, lichamelijke en seksuele integriteit, veiligheid en soms de levens van vrouwen en meisjes op het spel.
Hieronder legt FFF uit waarom de reactie van minister Berendsen ernstig tekortschiet en welke onderwerpen daarin wel aan de orde hadden moeten komen.
EEN FUNDAMENTELER PROBLEEM: STRUCTUREEL GEBREK AAN OPVOLGING
FFF wil vooraf een fundamentele zorg aan de orde stellen. Uit het dossier ontstaat het zorgwekkende beeld dat verzoeken van de Kamer, aangenomen moties en toezeggingen van de regering gedurende vele jaren niet, slechts gedeeltelijk of inhoudelijk onjuist worden uitgevoerd.
Het gaat niet om één gemiste toezegging of één motie die vertraging heeft opgelopen. De bij deze brief gevoegde matrix, die ook in het bezit is van ambtenaren van uw ministerie, laat een structureel patroon zien van aangenomen moties, Kamerverzoeken en regeringstoezeggingen waaraan geen of onvoldoende herkenbare uitvoering is gegeven. De aard en omvang van dit uitvoeringstekort zijn dus bekend bij uw ministerie.
Dit raakt niet alleen de vrijheid en veiligheid van slachtoffers, maar ook de verhouding tussen regering en parlement. Wanneer duidelijke en herhaalde opdrachten van de Kamer niet herkenbaar terugkomen in beleid en uitvoering, rijst de vraag welke betekenis de regering in de praktijk aan parlementaire besluitvorming toekent. Het structureel niet of slechts gedeeltelijk uitvoeren van moties en toezeggingen beperkt zich bovendien niet tot het ministerie van Buitenlandse Zaken. De verantwoordelijkheid voor deze problematiek is verdeeld over meerdere departementen, in het bijzonder de ministeries van Buitenlandse Zaken en van Justitie en Veiligheid. Interdepartementale versnippering kan echter geen rechtvaardiging zijn voor het uitblijven van uitvoering. De regering draagt een gezamenlijke verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat Kameropdrachten niet tussen ministeries blijven liggen.
Los van dit structurele uitvoeringstekort speelt een tweede, zelfstandig probleem. Het ministerie van Justitie en Veiligheid gebruikt in zijn schriftelijke communicatie aan de Tweede Kamer en inmiddels ook aan de Eerste Kamer de begrippen huwelijksdwang, huwelijkse gevangenschap en huwelijkse uitbuiting door elkaar. Deze begrippen worden onvoldoende gedefinieerd, onjuist toegepast en ten onrechte als onderling uitwisselbaar gebruikt. Dat gebeurt onder meer in de parlementaire stukken rond de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel.
Het gaat echter om drie inhoudelijk en juridisch verschillende fenomenen. Huwelijksdwang ziet op het onder dwang aangaan van een huwelijk. Huwelijkse gevangenschap ziet op het niet kunnen beëindigen van een juridisch, religieus of informeel huwelijk. Huwelijkse uitbuiting ziet op uitbuiting binnen of door middel van een huwelijk. Deze fenomenen kennen verschillende juridische definities, gedragingen, slachtoffers, signalen, bewijsvereisten en handelingsperspectieven. Zij kunnen binnen één situatie samenkomen, maar mogen daarom nog niet met elkaar worden vereenzelvigd.
De herhaalde verwisseling van deze begrippen kan niet meer worden afgedaan als een incidentele terminologische slordigheid. Uit de communicatie aan beide Kamers blijkt dat binnen het ministerie van Justitie en Veiligheid onvoldoende kennis bestaat van de inhoudelijke en juridische verschillen en definities, of dat deze kennis in ieder geval niet correct wordt toegepast. Dat is bijzonder ernstig, omdat juist dit ministerie verantwoordelijk is voor de voorbereiding van wetgeving, de strafrechtelijke kwalificatie van gedragingen en de informatievoorziening aan het parlement.
Dat deze juridische en inhoudelijke onzorgvuldigheid niet beperkt blijft tot parlementaire stukken, blijkt ook uit de onjuiste juridische informatie op de officiële pagina Aanpak huwelijkse gevangenschap van de Rijksoverheid. Op deze foutieve overheidsvoorlichting wordt in de volgende paragraaf afzonderlijk ingegaan.
De begrippen die het ministerie gebruikt, bepalen welke gedragingen onder een wettelijke regeling vallen, welke slachtoffers worden erkend en beschermd, welke bewijsvereisten gelden en welke bevoegdheden politie, Openbaar Ministerie, hulpverlening en andere uitvoeringsorganisaties hebben. Wanneer drie wezenlijk verschillende geweldsvormen vanuit een onjuiste probleemanalyse onder één juridische noemer worden gebracht, leidt dat niet alleen tot verkeerde registratie en ondeugdelijk beleid, maar ook tot slechte wetgeving.
Wetgeving kan daardoor op de verkeerde gedragingen worden gericht. Slachtoffers kunnen buiten de wettelijke bescherming vallen en politie, Openbaar Ministerie, hulpverleners en andere uitvoeringsorganisaties kunnen met onduidelijke, onvolledige of onwerkbare normen worden geconfronteerd. Maatregelen lijken dan op papier huwelijksdwang, huwelijkse gevangenschap en huwelijkse uitbuiting te bestrijken, terwijl zij in werkelijkheid slechts op één van deze fenomenen aansluiten. Het gevolg is wetgeving die haar doel mist, in de praktijk onvoldoende uitvoerbaar is en slachtoffers niet de bescherming biedt die de wetgever heeft beoogd.
FFF kan niet vaststellen of deze begripsverwarring voortkomt uit een gebrek aan specialistische kennis, bestuurlijke versnippering of institutionele weerstand tegen een afzonderlijke en concrete aanpak. Het gevolg staat echter vast. Slachtoffers en professionals worden tekortgedaan, het parlement wordt onvolledig of onjuist geïnformeerd en wetgeving wordt gebaseerd op juridisch en feitelijk onjuiste uitgangspunten. Deze begripsverwarring staat los van het structurele probleem dat aangenomen moties, Kamerverzoeken en gedane toezeggingen niet herkenbaar worden uitgevoerd en komt daar bovenop. Van de regering mag worden verwacht dat zij parlementaire opdrachten uitvoert en dat beleid en wetgeving worden gebaseerd op juridisch correcte en zorgvuldig afgebakende begrippen.
ZELFS DE JURIDISCHE INFORMATIE VAN DE RIJKSOVERHEID IS ONJUIST
Illustratief is de juridische fout op de officiële pagina Aanpak huwelijkse gevangenschap van de Rijksoverheid. Onder de kop “Huwelijkse gevangenschap strafbaar” staat dat huwelijkse gevangenschap strafbaar is en dat dit in de Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap zou staan. De daar opgenomen hyperlink verwijst bovendien niet naar die wet, maar naar de Wet tegengaan huwelijksdwang uit 2015. Daarmee worden twee verschillende wetten én twee verschillende juridische kaders met elkaar verward.
Niet iedere situatie van huwelijkse gevangenschap is automatisch strafbaar; hetzelfde geldt voor een weigering om aan een scheiding mee te werken. Strafbaarheid kan aan de orde zijn wanneer is voldaan aan de bestanddelen van het algemene dwangdelict van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht. De Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap bevat daarentegen hoofdzakelijk civielrechtelijke en procesrechtelijke maatregelen. De wet legt vast dat een echtgenoot in beginsel moet meewerken aan het beëindigen van een religieus huwelijk en maakt het mogelijk om een daartoe strekkend verzoek als nevenvoorziening in een echtscheidingsprocedure te doen.
Ook de Kamerbrief zelf is op dit punt onvoldoende precies. In de beschrijving van het side-event tijdens de Commission on the Status of Women wordt gesproken over een oproep aan andere landen om huwelijkse gevangenschap te “criminaliseren”, direct gevolgd door de mededeling dat Nederland momenteel het enige land is dat dit wettelijk heeft vastgelegd. Deze formulering wekt ten onrechte de indruk dat Nederland een zelfstandige strafbaarstelling van huwelijkse gevangenschap kent. De specifieke Nederlandse regeling is echter civielrechtelijk van aard. Voor huwelijkse gevangenschap als zodanig bestaat geen afzonderlijk strafbaar feit; strafrechtelijke vervolging wegens dwang is alleen mogelijk wanneer aan de bestanddelen van artikel 284 Sr is voldaan. Juist in een Kamerbrief over dit onderwerp moet dit onderscheid glashelder worden gemaakt. Dat de officiële overheidsvoorlichting en de Kamerbrief zulke fundamenteel verschillende juridische kaders door elkaar halen, bevestigt precies het probleem dat FFF al jaren signaleert. Slachtoffers, hulpverleners, beleidsmakers en parlementariërs moeten erop kunnen vertrouwen dat juridische informatie van de Rijksoverheid correct is.
BELEID OVER DE DOELGROEP, ZONDER DE DOELGROEP
In beleidsstukken van ministeries wordt veelvuldig gesproken over diversiteit, inclusie, intersectionaliteit, ervaringskennis en het belang van het betrekken van doelgroepen. Deze uitgangspunten moeten in de praktijk betekenis krijgen. Juist bij complexe en contextafhankelijke vormen van geweld tegen vrouwen is het essentieel dat beleid wordt ontwikkeld mét slachtoffers en gespecialiseerde organisaties die dagelijks met hen werken, niet over hun hoofden heen.
FFF betreurt daarom dat zij, ondanks haar jarenlange specialistische juridische, ervarings- en praktijkkennis op het terrein van huwelijkse gevangenschap en andere schadelijke praktijken, noch door het ministerie van Justitie en Veiligheid, noch door het ministerie van Buitenlandse Zaken structureel wordt betrokken bij de beleidsvorming en beleidsadvisering over huwelijkse gevangenschap. Dit is des te moeilijker te begrijpen omdat de Kamer de regering, zoals ook uit de bijgevoegde matrix blijkt, herhaaldelijk heeft gevraagd de expertise en praktijkkennis van FFF bij beleid en uitvoering te betrekken.
FFF heeft het begrip “huwelijkse gevangenschap” in het Nederlandse maatschappelijke en politieke debat geïntroduceerd en gedefinieerd en de problematiek vervolgens juridisch, maatschappelijk en politiek op de agenda gezet. FFF heeft jarenlang gestreden voor de erkenning van huwelijkse gevangenschap als mogelijke vorm van strafbare dwang en voor aanvullende wettelijke maatregelen waarmee slachtoffers daadwerkelijk uit hun huwelijkse gevangenschap kunnen worden bevrijd. Die inzet heeft mede bijgedragen aan de toepassing van het strafrechtelijke dwangartikel op deze problematiek en aan de totstandkoming van de Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap.
De inzet van FFF heeft zich nadrukkelijk niet tot Nederland beperkt. FFF strijdt al jarenlang voor internationale erkenning van huwelijkse gevangenschap als een vorm van geweld tegen vrouwen en als mensenrechtenvraagstuk. De problematiek is mede door die inzet aan de orde gesteld binnen het VN-Vrouwenrechtenverdrag. Het CEDAW-Comité heeft huwelijkse gevangenschap expliciet behandeld in zijn aanbevelingen aan Nederland. Binnen de Raad van Europa nam de Parlementaire Assemblee vervolgens het rapport en Resolutie 2481 (2023), Finding solutions for marital captivity, aan. Daarin wordt huwelijkse gevangenschap uitdrukkelijk als mensenrechtenschending erkend en worden lidstaten opgeroepen de problematiek actief te bestrijden.
Ook binnen de Europese Unie heeft FFF jarenlang gewerkt aan politieke agendering, onder meer via het Europees Parlement. Het Europees Parlement nam huwelijkse gevangenschap op in een resolutie. Het begrip kwam daarnaast terug in ingediende amendementen op de richtlijn inzake geweld tegen vrouwen, onder meer als vorm van gendergerelateerd geweld en in voorstellen voor gespecialiseerde slachtofferhulp. Daarnaast heeft FFF een breed internationaal netwerk en draagvlak opgebouwd voor verdere juridische en beleidsmatige erkenning. Ook buiten Europa, waaronder in de Verenigde Staten, bestaat belangstelling voor deze aanpak.
Een problematiek die lange tijd nauwelijks als zelfstandig juridisch en beleidsmatig vraagstuk werd erkend, staat daardoor inmiddels op de agenda van de Verenigde Naties, de Raad van Europa, de Europese Unie en organisaties daarbuiten. FFF beschikt niet alleen over jarenlange ervaringskennis, praktijkkennis en specialistische juridische kennis, maar ook over internationale beleidservaring en een uniek netwerk op dit onderwerp. Het is daarom moeilijk te begrijpen waarom het ministerie van Buitenlandse Zaken deze expertise niet structureel benut.
Tegen deze achtergrond beoordeelt FFF de reactie op de motie-Dobbe als volgt.
De reactie bevat geen plan waarin de eerder aangenomen moties en toezeggingen systematisch en herkenbaar worden uitgewerkt. Zij bevat een beschrijving van de huidige inzet, gevolgd door enkele voornemens op het gebied van communicatie, training, netwerken en interdepartementale samenwerking. Doelen, concrete maatregelen, verantwoordelijkheden, termijnen, middelen en toetsbare resultaten ontbreken.
Ook de mededeling dat de “nadere uitvoering” van de motie-Dobbe zal worden betrokken bij een nog op te stellen Nationaal Actieplan van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, vormt geen uitvoering van de motie. De Kamer vroeg vóór de begrotingsbehandeling om een plan en om uitwerking van eerdere moties. Het doorschuiven daarvan naar een toekomstig actieplan, zonder nadere inhoud of termijn, beantwoordt niet aan dat verzoek.
Veel van de in de Kamerbrief genoemde activiteiten hebben in de praktijk hoofdzakelijk betrekking op huwelijksdwang en achterlating. De kerntaak van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA) ligt bij deze twee onderwerpen, al verstrekt het LKHA ook informatie over huwelijkse gevangenschap. De beschreven zomercampagnes en veel van de bestaande voorlichtingsmaterialen zijn eveneens vooral op huwelijksdwang en achterlating gericht.
Huwelijksdwang, gedwongen achterlating en huwelijkse gevangenschap kunnen in één casus samenkomen, maar zijn niet hetzelfde. Bij huwelijksdwang wordt iemand gedwongen een huwelijk aan te gaan; bij gedwongen achterlating wordt iemand tegen haar of zijn wil in het buitenland achtergelaten; bij huwelijkse gevangenschap kan iemand een juridisch, religieus of informeel huwelijk niet beëindigen. Die verschillen zijn bepalend voor de benodigde preventie, registratie, juridische route, consulaire inzet en hulpverlening.
Het steeds onder één noemer plaatsen van deze problematiek is daarom niet slechts een terminologische tekortkoming. Het leidt ertoe dat bestaand beleid voor huwelijksdwang en achterlating ten onrechte ook als beleid voor huwelijkse gevangenschap wordt gepresenteerd, terwijl slachtoffers van huwelijkse gevangenschap een ander en vaak specialistisch handelingsperspectief nodig hebben.
De Kamerbrief presenteert als aanpak vooral wat al tot de reguliere consulaire bijstand behoort: het faciliteren van terugkeer naar Nederland en, waar mogelijk, het doorverwijzen naar lokale hulporganisaties of familierechtadvocaten. Tegelijkertijd stelt de minister dat juridische ondersteuning bij de ontbinding van een religieus of burgerlijk huwelijk in het buitenland buiten het mandaat van Buitenlandse Zaken valt. Daarmee blijft de belangrijkste vraag onbeantwoord: wat doet een ambassade concreet voor een vrouw die wel kan terugkeren, maar door haar buitenlandse of religieuze huwelijksstatus gevangen blijft? Kan zij rekenen op betrouwbare informatie over het lokale recht, hulp bij het vinden van gespecialiseerde juridische bijstand, contact met lokale autoriteiten en ondersteuning bij noodzakelijke documenten en procedures? Of krijgt zij slechts een telefoonnummer en moet zij het vervolgens zelf uitzoeken?
Juist deze onduidelijkheid is ernstig, omdat de afgelopen vijftien jaar herhaaldelijk is gebleken dat reguliere consulaire processen voor deze slachtoffers tekortschieten.
In 2011 en 2012 werd Sarah, slachtoffer van huwelijksdwang, achterlating en later ook huwelijkse gevangenschap, door verschillende instanties weggestuurd. Haar zaak maakte zichtbaar dat er geen sluitende, gespecialiseerde hulpstructuur bestond. In het daaropvolgende Kamerdebat vroegen meerdere Kamerleden, mede naar aanleiding van het pleidooi van FFF, om een taskforce naar Brits model. Per 1 januari 2015 werd het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating ingesteld, omdat kennis en expertise over deze complexe zaken te versnipperd waren. Ook de documentaire Gedwongen Geloften laat zien hoe gruwelijk de gevolgen voor Sarah waren.
In 2016 ging de Kamer nog een stap verder. Met het amendement-Ten Broeke c.s. werd € 1,5 miljoen beschikbaar gesteld voor een Forced Marriage Unit bij Buitenlandse Zaken. In de toelichting stonden niet alleen kennisbundeling en doorverwijzing centraal, maar uitdrukkelijk ook het opsporen, accommoderen en repatriëren van slachtoffers, het verstrekken van reisdocumenten en het leggen van contacten met lokale autoriteiten. Bij de uitvoering werd bovendien een ticketfonds ingericht om de terugkeer van slachtoffers in nood te kunnen voorfinancieren. De doelstelling en strekking van dit amendement moeten ook nu structureel en aantoonbaar in de consulaire praktijk worden uitgevoerd. De Kamerbrief maakt niet duidelijk of en hoe dat gebeurt.
In 2023 liep ook Nadia tegen de grenzen van die praktijk aan. Nadat zij door huwelijksdwang en achterlating jarenlang onvrijwillig buiten de Europese Unie had verbleven, kreeg zij te horen dat zij vanwege de dertienjaarsregel geen Nederlandse meer was en daarom niet op Nederlandse bescherming kon rekenen. Haar zaak liet zien hoe een slachtoffer juist als gevolg van het haar aangedane onrecht haar aanspraak op bescherming kan verliezen. Mede naar aanleiding van dit soort zaken nam de Tweede Kamer op 10 juni 2025 de gewijzigde motie over de dochterregeling aan. Daarin wordt de regering gevraagd om samen met deskundigen in kaart te brengen hoe een regeling ter bescherming van achtergelaten en uitgehuwelijkte vrouwen eruit kan zien. Ook deze Kameropdracht ontbreekt in het gepresenteerde “plan”.
Deze drie voorbeelden laten een terugkerend patroon zien: pas nadat een slachtoffer tussen instanties en regels vermalen raakt, volgt politieke actie, maar de uitvoering wordt vervolgens versmald, tijdelijk ingericht of onvoldoende geborgd. De Kamerbrief had daarom niet alleen de bestaande consulaire werkzaamheden moeten opsommen, maar ook moeten laten zien hoe eerdere Kameropdrachten structureel worden uitgevoerd en welke concrete hulp slachtoffers vandaag van een ambassade mogen verwachten.
Hetzelfde geldt voor de aangekondigde trainingen. Femmes for Freedom biedt al jaren aan haar specialistische juridische kennis, praktijkervaring en kennis van concrete buitenlandse huwelijks- en echtscheidingsprocedures beschikbaar te stellen voor de training van consulaire medewerkers. Op dat aanbod is tot op heden niet ingegaan. Het is moeilijk te begrijpen waarom het ministerie nieuwe trainingen aankondigt zonder de organisatie te betrekken die deze problematiek mede op de politieke agenda heeft gezet, wetgeving heeft helpen ontwikkelen en dagelijks ziet waar beleid en uitvoering tekortschieten. Specialistische betrokkenheid is hier geen beleefdheid, maar een noodzakelijke voorwaarde voor effectieve consulaire bescherming.
Minister Berendsen schrijft:
“Huwelijkse gevangenschap kan onderdeel zijn van deze casuïstiek, maar wordt niet als afzonderlijke categorie geregistreerd. Het ministerie heeft, op een enkel geval na, in de afgelopen jaren geen losstaande hulpvragen ontvangen van slachtoffers van huwelijkse gevangenschap in het buitenland.”
Het is positief dat de minister vervolgens erkent dat op basis van de bestaande registraties geen betrouwbare uitspraak kan worden gedaan over de werkelijke omvang. Juist daarom is het opnemen van de mededeling dat vrijwel geen “losstaande” hulpvragen zijn ontvangen misleidend. Als huwelijkse gevangenschap niet als afzonderlijke categorie wordt geregistreerd, kan achteraf niet betrouwbaar worden vastgesteld hoeveel hulpvragen dit element bevatten. Bovendien is niet duidelijk wat het ministerie precies als een “losstaande” hulpvraag beschouwt.
De gekozen registratie roept ook de vraag op wat er gebeurt met situaties van huwelijkse gevangenschap die niet samengaan met huwelijksdwang of achterlating. Deze zaken dreigen buiten de bestaande categorieën en daarmee buiten beeld te vallen. Wat niet afzonderlijk wordt geregistreerd, kan niet betrouwbaar worden geteld, gevolgd of geëvalueerd.
Daar komt bij dat slachtoffers zich alleen tot een ambassade of ministerie kunnen wenden als zij weten dat daar voor hen een mogelijk handelingsperspectief bestaat. Wanneer gerichte voorlichting over huwelijkse gevangenschap ontbreekt en ambassades zelf onvoldoende kennis hebben, is een gering aantal herkenbare meldingen geen aanwijzing dat er nauwelijks slachtoffers zijn. FFF ontvangt wél hulpvragen van vrouwen die zich in het buitenland in huwelijkse gevangenschap bevinden. FFF heeft daarover zelf ambassades en het ministerie benaderd, maar stuitte meermaals op een gesloten deur. Ook cliënten van FFF hebben gemeld dat ambassades hun lieten weten niets voor hen te kunnen betekenen.
Hulpvragen hoeven bovendien niet vanuit het buitenland te komen. Een slachtoffer kan in Nederland wonen, terwijl voor de beëindiging van haar huwelijkse gevangenschap juist informatie, documenten, bemiddeling of contacten in het buitenland nodig zijn. Een registratie die uitsluitend kijkt naar hulpvragen van Nederlanders die zich fysiek in het buitenland bevinden, geeft daarom per definitie een onvolledig beeld.
In de Kamerbrief vermeldt de minister dat Buitenlandse Zaken tijdens de Commission on the Status of Women in maart 2026 een side-event over huwelijkse gevangenschap heeft gesteund. Deze formulering geeft een onvolledig beeld van de totstandkoming van de bijeenkomst. Het side-event was een initiatief van Femmes for Freedom en de gemeente Den Haag en werd samen met Vital Voices ontwikkeld en georganiseerd. Het initiatief, de inhoudelijke programmering, de internationale coalitievorming en het uitnodigen van de sprekers kwamen van FFF en haar partners. Buitenlandse Zaken wilde aanvankelijk geen inhoudelijke rol bij de ontwikkeling van het programma vervullen.
Ook bij de praktische organisatie stuitte FFF op aanzienlijke ambtelijke weerstand. De Permanente Vertegenwoordiging was aanvankelijk niet bereid de bijeenkomst in haar gebouw te laten plaatsvinden. Bovendien bleek dat het side-event niet door de Permanente Vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties was aangemeld voor opname in het officiële CSW-programma. FFF heeft vervolgens via haar eigen contacten met UN Women moeten bewerkstelligen dat de bijeenkomst alsnog als officieel side-event werd geregistreerd. Uiteindelijk werd Ending Marital Captivity: Legal Revolution from the Netherlands opgenomen in het officiële programma van UN Women.
FFF is de Permanente Vertegenwoordiging erkentelijk dat zij later van standpunt veranderde, haar deuren alsnog opende en de bijeenkomst praktisch faciliteerde. Die ondersteuning erkennen en waarderen wij. Dat neemt niet weg dat deze medewerking pas na herhaald aandringen tot stand kwam en dat het ministerie geen inhoudelijke verantwoordelijkheid nam voor het initiatief en de totstandkoming ervan.
Illustratief is dat plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger dr. Bahia Tahzib-Lie tijdens haar welkomstwoord vertelde dat zij vóór het lezen van het kort daarvoor verschenen artikel van RTL Nieuws over huwelijkse gevangenschap niet bekend was met het begrip en de problematiek. Dat is opmerkelijk en zorgwekkend, te meer omdat Tahzib-Lie van 2019 tot 2023 mensenrechtenambassadeur van Nederland is geweest. Wij waarderen haar openhartigheid. Haar mededeling roept echter ernstige vragen op over de mate waarin deze ernstige mensenrechtenschending, die FFF al vijftien jaar nationaal en internationaal agendeert, binnen de diplomatieke organisatie en het Nederlandse mensenrechtenbeleid was verankerd. Dat Nederland zich tijdens de grootste VN-conferentie over vrouwenrechten niettemin als internationale voortrekker op dit onderwerp presenteerde, maakt die tegenstelling des te schrijnender.
De formulering in de Kamerbrief laat deze voorgeschiedenis buiten beschouwing. Daardoor ontstaat de indruk dat het side-event voortkwam uit eigen beleid en een structurele internationale inzet van Buitenlandse Zaken. Volgens FFF en de bij haar beschikbare documentatie kwam het evenement echter tot stand dankzij het jarenlange werk, de specialistische expertise en het internationale netwerk van FFF en haar partners, en ondanks aanzienlijke ambtelijke weerstand. De uiteindelijke praktische facilitering door de Permanente Vertegenwoordiging was waardevol, maar kan niet worden gepresenteerd als vervanging van een eigen, inhoudelijke en structurele internationale inzet van het ministerie tegen huwelijkse gevangenschap.
De Kamerbrief maakt niet inzichtelijk wat met eerdere moties, Kamerverzoeken en regeringstoezeggingen is gebeurd. De bij deze open brief gevoegde matrix vermeldt per parlementaire opdracht welke uitvoering is gevraagd en in hoeverre die nog ontbreekt. Een tweede bijgevoegd document bevat een overzicht van de vele momenten waarop FFF in Kamerdebatten is genoemd en waarop Kamerleden de regering hebben gevraagd de specialistische kennis en praktijkervaring van FFF te benutten. Samen laten deze documenten zien dat het gaat om jarenlang herhaalde en duidelijk vastgelegde opdrachten van de Kamer.
In de Kamerbrief wordt niet ingegaan op de in de motie Dobbe uitdrukkelijk genoemde dochterregeling. Ook de verzochte opname van huwelijkse gevangenschap in het Nederlandse mensenrechtenbeleid blijft onbesproken. Hetzelfde geldt voor een groot deel van de overige verzoeken uit de matrix en voor de herhaalde oproepen om FFF bij beleid en uitvoering te betrekken.
Het voornemen om de interdepartementale samenwerking te versterken, kan daarvoor niet in de plaats komen. Een bespreking in een interdepartementaal overleg is nog geen uitvoering van een motie of toezegging. Daarvoor moet duidelijk zijn welke maatregelen worden genomen, welk ministerie verantwoordelijk is en binnen welke termijn resultaten worden bereikt.
Ook kan de betrokkenheid van FFF niet worden teruggebracht tot het algemene voornemen om “migrantenorganisaties” te benaderen. De Tweede Kamer heeft de regering herhaaldelijk gevraagd juist de specialistische expertise van FFF te benutten. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tegengaan huwelijksdwang in 2014 bracht SP Kamerlid Jan de Wit, mede op basis van informatie van FFF, het gebrek aan kennis bij politie en Openbaar Ministerie onder de aandacht. Staatssecretaris Teeven erkende dit probleem, verwees naar zijn contacten met FFF en zegde toe het onderwerp bij politie en Openbaar Ministerie onder de aandacht te brengen.
Tijdens het wetgevingsoverleg over het Jaarverslag van Buitenlandse Zaken op 12 juni 2017 vroeg VVD Kamerlid Han ten Broeke om FFF uitdrukkelijk te betrekken bij de uitvoering van de door zijn amendement mogelijk gemaakte Eenheid Huwelijksdwang. Hij wees erop dat veel meldingen als eerste bij FFF binnenkomen en dat de organisatie daardoor over belangrijke informatie voor vroegsignalering beschikt. Volgens Ten Broeke moest worden geprobeerd om met FFF “naadloos” samen te werken. Minister Koenders onderschreef het belang van de betrokkenheid van ngo’s en verklaarde dat informatie, communicatie en acties snel met elkaar moesten worden verbonden, zodat de eenheid “zo operationeel, praktisch en effectief mogelijk” kon functioneren.
Tijdens het wetgevingsoverleg over het wetsvoorstel tegengaan huwelijkse gevangenschap van 9 november 2020 werd FFF opnieuw door meerdere Kamerleden genoemd als de organisatie die huwelijkse gevangenschap op de politieke en juridische agenda heeft gezet. SP Kamerlid Van Nispen constateerde dat de Kamer al jarenlang vroeg om FFF bij de beleidsvorming en de ontwikkeling van voorlichting te betrekken en dat dit nog steeds te weinig gebeurde.
Die parlementaire wens werd vastgelegd in de motie Peters van 12 november 2020. De regering werd verzocht met FFF in gesprek te gaan, te onderzoeken welke duurzame rol de stichting binnen het brede thema zelfbeschikking kan vervullen, daarover afspraken te maken en de Kamer over de voortgang te informeren. In een Kamerbrief van 18 maart 2021 omschreef het kabinet deze motie zelf als een oproep om FFF bij zowel de beleidsvorming als de uitvoering te betrekken.
De betrokkenheid van FFF is daarmee niet slechts een wens van de organisatie zelf, maar een herhaald en uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer. De Kamerbrief had daarom moeten uitleggen hoe het amendement Ten Broeke en de motie Peters naar letter en geest worden uitgevoerd. Dat vereist een proactieve en gespecialiseerde aanpak en daadwerkelijke samenwerking met de organisatie waar slachtoffers zich melden en waar de benodigde juridische, praktische en internationale expertise aanwezig is. Een generieke consultatie van migrantenorganisaties kan deze gerichte betrokkenheid niet vervangen.
Ook de internationale toezeggingen blijven grotendeels buiten beeld. Tijdens de wetsbehandeling in 2014 drongen de Kamerleden De Wit van de SP en Schouw van D66 aan op internationale oplossingen voor de wederzijdse erkenning van echtscheidingen. Kamerlid Van Oosten van de VVD vroeg of Nederland huwelijkse gevangenschap en de erkenning van Nederlandse echtscheidingen bij de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht kon agenderen. Staatssecretaris Teeven verklaarde zich daartoe bereid en zegde tevens toe hierover de dialoog aan te gaan met landen buiten de Europese Unie.
In 2021 moest het kabinet echter erkennen dat uit de verslagen van internationale gesprekken en uit navraag bij diplomatieke vertegenwoordigingen niet bleek dat het onderwerp daadwerkelijk aan de orde was geweest. Het kabinet wist zelfs niet óf en met welke landen hierover was gesproken. Vervolgens constateerde de Tweede Kamer in de motie Jasper van Dijk en Valstar van 20 oktober 2022 dat huwelijkse gevangenschap nog steeds niet internationaal was geagendeerd en dat geen dialoog was aangegaan met Iran, Egypte, Pakistan en de Filipijnen over de erkenning van Nederlandse echtscheidingsbeschikkingen. De Kamer verzocht daarom huwelijkse gevangenschap onderdeel te maken van het Nederlandse mensenrechtenbeleid en het feministische buitenlandbeleid en alsnog met deze landen in overleg te treden.
Buitenlandse Zaken kan, in samenwerking met Justitie en Veiligheid, internationale oplossingen stimuleren, onder meer binnen de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht. Het wereldwijde postennet kan daarnaast worden ingezet voor gerichte voorlichting, het identificeren van betrouwbare lokale familierechtadvocaten en maatschappelijke organisaties, het verzamelen van informatie over belemmeringen in buitenlandse rechtsstelsels en het ondersteunen van slachtoffers binnen de grenzen van het consulaire mandaat. Ambassades kunnen bovendien structureel rapporteren over problemen rond de erkenning van Nederlandse echtscheidingen en hierover diplomatieke gesprekken voeren met de betrokken landen.
FFF probeert al vele jaren met het ministerie tot structurele samenwerking te komen. Ook internationaal bestaat grote belangstelling voor concrete samenwerking, zowel bij juridische, academische en maatschappelijke organisaties als binnen de Commission on the Status of Women. Juist het diplomatieke netwerk van Buitenlandse Zaken kan hier een wezenlijk verschil maken. Daarvoor is een samenhangend uitvoeringsplan nodig waarin de verzoeken uit de matrix afzonderlijk worden behandeld, verantwoordelijkheden en termijnen worden vastgelegd en de door de Kamer herhaaldelijk gevraagde betrokkenheid van FFF wordt geborgd.
TOT SLOT: DOORBREEK DE JARENLANGE AMBTELIJKE WEERSTAND
Huwelijkse gevangenschap is juridisch en internationaal complex, maar bovenal een vorm van geweld tegen vrouwen en een ernstige schending van het recht op zelfbeschikking. FFF is de Tweede Kamer dankbaar voor haar voortdurende aandacht voor deze problematiek. Wij begrijpen dat een samenhangende aanpak interdepartementale samenwerking vereist en dat consulaire bijstand juridische en praktische grenzen kent. Die complexiteit ontslaat de overheid echter niet van haar verantwoordelijkheid aangenomen moties, amendementen en gedane toezeggingen herkenbaar, volledig en tijdig uit te voeren.
De Tweede Kamer mag niet telkens genoodzaakt zijn dezelfde verzoeken te herhalen. Wanneer uitvoering niet of niet volledig mogelijk wordt geacht, behoort de regering de Kamer daarover expliciet, volledig en juridisch juist te informeren. Daarbij moet duidelijk worden wat wel en niet is uitgevoerd en op welke inhoudelijke en juridische gronden van uitvoering wordt afgezien. Dat gebeurt in de nu voorliggende Kamerbrief opnieuw onvoldoende. Dit is des te teleurstellender omdat minister Berendsen tijdens het positieve en inspirerende gesprek met FFF op 25 juni 2026 heeft aangegeven zich persoonlijk voor dit onderwerp te willen inzetten.
FFF verzoekt de minister daarom alsnog een daadwerkelijk actieplan tegen huwelijkse gevangenschap op te stellen en daarin per aangenomen motie, amendement, verzoek en toezegging inzichtelijk te maken:
Daarnaast verzoekt FFF de minister van Buitenlandse Zaken om, samen met alle andere betrokken bewindspersonen en ministeries, FFF structureel en tijdig te betrekken bij de beleidsvorming, beleidsadvisering, training en uitvoering op het gebied van huwelijkse gevangenschap, huwelijksdwang en achterlating. Het is niet consistent om enerzijds het belang van diversiteit, inclusie, intersectionaliteit en ervaringskennis te benadrukken en anderzijds beleid over deze vrouwen te ontwikkelen zonder de gespecialiseerde vrouwenrechtenorganisatie die deze problematiek in Nederland juridisch en politiek zichtbaar heeft gemaakt en jarenlang in de rechtszaal, de hulpverleningspraktijk en de internationale arena heeft bestreden.
Minister Berendsen, tijdens ons positieve gesprek op 25 juni 2026 hebben wij u uitdrukkelijk verteld over de jarenlange ambtelijke weerstand die wij bij de aanpak van huwelijkse gevangenschap, huwelijksdwang en achterlating hebben ondervonden. Ook hebben wij benadrukt dat aangenomen moties, amendementen en gedane toezeggingen naar letter én geest moeten worden uitgevoerd. Het gaat niet om een technisch of semantisch beleidsvraagstuk, maar om ernstige vormen van gendergerelateerd geweld die de vrijheid, lichamelijke integriteit, veiligheid en soms zelfs het leven van vrouwen en meisjes bedreigen.
De nu voorliggende Kamerbrief bevestigt helaas onze zorgen. Herhaalde opdrachten van de Kamer worden niet volledig of niet herkenbaar uitgewerkt, eerdere toezeggingen blijven buiten beeld en concrete verzoeken worden vervangen door algemene activiteiten en voornemens. Daarmee wordt onvoldoende recht gedaan aan de controlerende rol van de Tweede Kamer en ontstaat de indruk dat breed gesteunde Kamerverzoeken niet met de vereiste ernst worden behandeld.
Wij beseffen dat de verantwoordelijkheid voor deze problematiek over meerdere ministeries en bewindspersonen is verdeeld en dat de door FFF ervaren ambtelijke weerstand zich niet tot Buitenlandse Zaken beperkt. Juist daarom doen wij een dringend beroep op u om als lid van het kabinet het initiatief te nemen. Doorbreek de weerstand binnen uw eigen ministerie, spreek ook de andere verantwoordelijke bewindspersonen hierop aan en agendeer deze problematiek waar nodig in de ministerraad en in het interdepartementale overleg. Geef uw ambtenaren opdracht om de aangenomen moties, amendementen en toezeggingen naar letter én geest uit te voeren en verzoek uw collega-bewindspersonen binnen hun ministeries hetzelfde te doen.
Neem vervolgens het initiatief om samen met alle betrokken ministeries en FFF één kabinetsbreed, concreet en controleerbaar actieplan op te stellen én uit te voeren. Leg voor iedere maatregel een verantwoordelijke bewindspersoon of instantie, een uitvoeringstermijn, voldoende middelen en een meetbaar resultaat vast. Alleen zo kan worden voorkomen dat verantwoordelijkheden tussen ministeries blijven verschuiven en slachtoffers uiteindelijk tussen wal en schip terechtkomen.
FFF is ervan overtuigd dat wij gezamenlijk snel en aantoonbaar voortgang kunnen boeken. Na vijftien jaar van moties, amendementen, toezeggingen en herhaalde verzoeken is verdere vertraging niet meer uit te leggen. Het gaat om de vrijheid en veiligheid van vrouwen en meisjes. Er staan mensenlevens op het spel.
FFF stelt haar jarenlange juridische expertise, praktijkkennis, ervaringskennis en internationale netwerk graag ter beschikking om samen met alle betrokken bewindspersonen en ministeries tot een effectieve nationale én internationale aanpak te komen.
Hoogachtend,
Femmes for Freedom